
6 november 2026
Meer focus nodig op ondernemerschap
De oudste incubator van Nederland wil de komende vijf jaar 250 startups voortbrengen. Directeur van YES!Delft Ras Lalmy noemt het geen ambitie, maar een noodzaak. “Als we over twintig jaar onze eigen techkampioenen willen hebben, moeten we nu versnellen.”
In het gebouw van YES!Delft, op de TU Delft Campus, omringd door weilanden die voorlopig nog leeg zijn, loopt Ras Lalmy langs rijen werkplekken waar ingenieurs codes schrijven, motoren testen en businessplannen herschrijven. “Dit is de candy store van startups”, zegt hij. Lalmy werd drie jaar geleden directeur, na de verkoop van zijn eigen bedrijf. Hij kende het ecosysteem al, maar was verrast door wat hij aantrof: “De enorme variëteit van zeer gedreven techstartups. Het gaat van space naar quantum, van medische technologie naar cybersecurity.”
YES!Delft begeleidde in twintig jaar zo’n vijfhonderd startups. Nu wil Lalmy in vijf jaar nog eens 250 nieuwe bedrijven helpen ontstaan. Dat is niet alleen een verdubbeling van het aantal startups, maar ook van de impact, zegt hij. “Alles wat hier ontstaat, vertaalt zich uiteindelijk naar oplossingen in de wereld.” De ambitie komt niet uit de lucht vallen. “De afgelopen drie jaar zijn we al bijna verdubbeld. We zien dat steeds meer mensen een startup willen beginnen. De potentie is er. Maar het systeem moet mee. Als dat niet gebeurt, blijft een groot deel van die potentie onbenut.”
Waarom nu?
Dat het juist nu moet gebeuren, heeft volgens Lalmy alles te maken met wat er buiten de campus gebeurt. Europa leunde jarenlang op Amerikaanse technologie en Chinese toeleveranciers. Dat model kraakt. De oorlog in Oekraïne, geopolitieke spanningen en afhankelijkheid van kritieke grondstoffen maken duidelijk hoe kwetsbaar die positie is.
“Overheden worstelen met de vraag hoe ze ons toekomstig verdienvermogen en onze autonomie veiligstellen”, zegt Lalmy. “Hoe creëren we over twintig jaar de nieuwe ASML’s? Het antwoord zit hier. De fundamentele doorbraaktechnologieën worden ontwikkeld aan universiteiten zoals de TU Delft.” Wie de komende twintig jaar zijn eigen techkampioenen wil hebben, moet daar nu mee beginnen. Dat staat inmiddels in het rapport van oud-eurocommissaris Mario Draghi over het Europees concurrentievermogen, het Wenninkrapport en het Nederlandse regeerakkoord. “We hebben de actualiteit mee”, zegt Lalmy. Maar waar Europa uitblinkt in wetenschap, blijft het achter in het omzetten daarvan naar bedrijven. Juist daar ligt volgens hem de crux. En het moment om dat te veranderen is nu, zegt Lalmy: “Het kán niet alleen, het móet ook. Dit is een soort perfect storm van urgentie en opportunity.”
Van lab naar markt
Universiteiten kregen in 2005 een derde kerntaak: valorisatie. Kennis moet niet alleen worden ontwikkeld, maar ook zijn weg vinden naar de maatschappij. In de praktijk gebeurt dat onder andere via academische startups. Alleen: die keten hapert. Universiteiten en incubators werken met incidentele middelen, terwijl het om een structureel proces gaat. Het gevolg: potentie blijft liggen. Volgens eigen inschatting van universiteiten is minstens een verdubbeling van spin-offs mogelijk. Volgens Lalmy zit het probleem al aan het begin van de keten. “Je krijgt er als universiteit een taak bij, maar geen structurele financiering. Die visie in het regeerakkoord is mooi, maar een visie blijft een visie als we er niet daadwerkelijk actie op zetten.”
Kennis moet niet alleen worden ontwikkeld, maar ook zijn weg vinden naar de maatschappij.
Cultuur
Daar komt een tweede probleem bij: cultuur. Onderzoekers zijn voornamelijk opgeleid om wetenschap te bedrijven, niet om bedrijven te bouwen. Lalmy: “Als we meer startups willen, moeten we die mogelijkheid eerder introduceren in de wetenschappelijke carrière. Zodat het normaal wordt om impact te maken via ondernemerschap.” In Nederland zijn we vaak bescheiden over onze plannen, zegt investeerder Arjan Göbel, medeoprichter van venture capitalfonds Forward.one en voormalig oprichter van Ampelmann. “Er komen briljante bedrijven uit Delft en we investeren er graag. Maar waar think big in het Amerikaanse ondernemers-DNA zit, is die schaal van denken hier minder vanzelfsprekend.”
Al die knelpunten samen, onvoldoende financiering, een risicomijdende cultuur, komen samen in wat Lalmy het treintje noemt. Aan het begin staat de wetenschapper met een idee. Daarna volgt de stap naar een startup, de incubatiefase bij YES!Delft, de opschaling en uiteindelijk de markt. Op dit moment stokt het treintje op meerdere plekken: te weinig vroege begeleiding op de universiteit, te weinig capaciteit en een structureel tekort aan groeifinanciering. Sinds afgelopen jaar groeit de bewustwording dat startups, vooral die met gevoelige technologie, beter beschermd moeten worden. Zo zit er een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland regelmatig bij YES!Delft om startups te begeleiden bij vraagstukken rond economische veiligheid en heeft het ministerie van Defensie zich in de incubator gevestigd.
We hebben een ondernemende overheid nodig die risico’s durft te nemen.
Kapitaal is niet het hele verhaal
Voor startups zelf wordt gebrek aan kapitaal vaak genoemd als grootste obstakel. Maar volgens Göbel ligt het genuanceerder. “Voor de eerste fase is er in Nederland echt genoeg geld”, zegt hij. “Als je een goed team hebt en een goed verhaal, kun je je eerste miljoen ophalen.” Het probleem zit volgens hem verderop. “Als je twintig, dertig of vijftig miljoen nodig hebt, is dat heel lastig in Europa”, zegt hij. “Dat type kapitaal ontbreekt.” Göbel bouwde in 2007 Ampelmann op vanuit de TU Delft, een bedrijf dat het overstappen van mensen naar offshorewindmolens veiliger en goedkoper maakte. Maar nu als investeerder ziet hij dagelijks waar het voor andere deeptech-startups vastloopt. Dat verschil heeft ermee te maken dat in Amerika durfkapitaal, privaat geld dat wordt geïnvesteerd in snelgroeiende bedrijven, dertig tot veertig jaar ouder is dan in Europa. Investeerders kennen elkaar, bouwen ketens van vroege en late financieringsrondes en zijn gewend aan het risico van deeptech. Maar geld is niet de enige bottleneck. Göbel: “Het grootste verschil tussen een startup die slaagt en een die dat niet doet? Het team, altijd het team.” Volgens hem gaat het in Nederland vaak mis door een typisch patroon: technisch sterke teams die te lang blijven bouwen voordat ze de markt opgaan. “We denken: ons product is zo goed, dat verkoopt zichzelf. Dat is gewoon nooit zo.”
Waar Amerikaanse startups vroeg testen en verkopen, perfectioneren Europese startups hun technologie vaak te lang zonder klantcontact. “Dan heb je vijf jaar geld verbrand en nog geen product-market fit.” Naast kapitaal en cultuur speelt ook regelgeving een rol. Europa bestaat uit 27 markten met verschillende regels, waar de Verenigde Staten één interne markt vormen. Voor deeptech-startups is dat een groot nadeel. “Als een product werkt in Californië, kun je meteen opschalen”, zegt Göbel. “In Europa moet je alles 27 keer opnieuw doen.” Daar komt bij dat de exitmarkt minder ontwikkeld is. “Het geld moet er uiteindelijk ook weer uit”, zegt Lalmy. Volgens hem versterkt dit elkaar. “Zolang het in Europa moeilijker en duurder is om op te schalen, blijft de verleiding om naar de VS te gaan groot.”
Wat er nodig is om te verdubbelen
De ambitie van YES!Delft is daarmee niet alleen een interne groeistrategie, maar een systeemvraagstuk. Van de overheid vraagt Lalmy vooral één ding: structurele financiering voor de incubator zelf. “Wij opereren helemaal aan het begin van de startup-pijplijn, nog vóór de fase waarin private investeerders instappen. Deze structurele taak vraagt om structurele funding. Maar onze financiering hangt als een lappendeken aan elkaar. Ik weet niet wat ik de volgende drie jaar voor budget heb.” Daarnaast pleit hij voor een actievere overheid. “We hebben een ondernemende overheid nodig die risico’s durft te nemen en buiten de lijntjes kan kleuren.”
Meer rolmodellen
Van universiteiten vraagt hij meer focus op ondernemerschap. Dit is nu veelal versnipperd georganiseerd, zonder dat iemand het geheel overziet of aanstuurt. “Het begint bij het College van Bestuur en de decanen. Die moeten dit willen.” Lalmy wil dat veranderen met behulp van rolmodellen: professoren en onderzoekers die al meerdere keren een bedrijf hebben gebouwd en daarmee jonge wetenschappers inspireren hetzelfde te doen. In landen als Zweden gebeurt dat al. “Daar wil iedere wetenschapper aanhaken bij de professoren die al drie keer een fantastisch bedrijf hebben gebouwd.” In Delft zijn de rolmodellen er al, maar nog niet genoeg, zegt Lalmy. “Dat zouden er nog veel meer moeten zijn. En zij verdienen allen ondersteuning.” Hij prijst alle initiatieven die de TU Delft de afgelopen jaren heeft opgezet om ondernemerschap te stimuleren en innovatie te versnellen (zie infographic), en waarmee YES!Delft nauw samenwerkt. “De TU Delft was ruim twintig jaar geleden medeoprichter van YES!Delft en is nog steeds een van de aandeelhouders, naast de gemeente Delft en de Erasmus Universiteit Rotterdam.” De TU Delft is in Nederland by far de nummer één als het gaat om aantallen spin-offs. “Dus het gaat relatief goed. Maar het moet en kan beter.” En van het bedrijfsleven verwacht hij betrokkenheid, niet alleen als investeerder, maar ook als klant en kennispartner. Grote bedrijven aarzelen soms om samen te werken met startups, maar Lalmy vindt dat kortzichtig. “Radicale innovaties ontstaan niet binnen grote bedrijven. Maar zij hebben wel de kennis en de markt om startups te laten groeien.”
Dawn Aerospace: van studentenraket naar herbruikbare ruimtevaart
Dawn Aerospace begon binnen DARE, het studentenraketteam van de TU Delft. Medeoprichter Jeroen Wink en zijn medestudenten bouwden raketten, zagen een markt en gingen door als bedrijf. Via het Ready to Startup-programma van YES!Delft leerden ze over businessplanning, patenten en subsidies. De TU Delft leverde de eerste 2.500 euro, een werkplaats en ruimte om te experimenteren. Inmiddels ontwikkelt Dawn milieuvriendelijke aandrijfsystemen voor satellieten en een herbruikbaar ruimtevliegtuig: de Mk II Aurora. Het bedrijf telt 120 medewerkers in Delft, Christchurch, Toulouse en New York. Dat Dawn deels in Nieuw-Zeeland test, zegt iets over de Europese regelgeving. Daar kan een experimenteel toestel als gewoon vliegtuig worden gecertificeerd; in Europa past het niet in de regels. Wink pleit voor een andere aanpak: “Stel eisen aan veiligheid, maar laat vrij hoe je daaraan voldoet.”
Groove Quantum: germanium als basis voor quantumcomputers
Groove Quantum werd bijna drie jaar geleden opgericht door Anne-Marije Zwerver en Nico Hendrickx, beiden gepromoveerd bij QuTech van de TU Delft. Het bedrijf ontwikkelt quantumcomputers op basis van germanium, een halfgeleider die beter schaalbaar is naar de miljoenen qubits die nodig zijn voor praktische toepassingen. Daarmee kunnen nu onmogelijke berekeningen straks in minuten of uren worden uitgevoerd. Het team telt tien mensen en heeft al achttien qubits operationeel. Dat is substantieel meer dan andere halfgeleiderbedrijven. De route naar een miljoen is lang, maar de technologie staat. Wat hen als ondernemers vooral verbaast, is de bureaucratie. Uit angst voor staatssteun durven instanties volgens hen soms nauwelijks beslissingen te nemen. De TU Delft blijft ondertussen de voedingsbodem van Groove Quantum. De professoren die aan de basis stonden van het bedrijf zijn nog altijd nauw betrokken. “De TU Delft is waar we geboren zijn.”
Neollie: automatisering in de neonatale zorg
Op neonatale intensivecareafdelingen bereiden verpleegkundigen dagelijks tientallen porties moedermelk voor prematuur geboren baby’s. Dat is nauwkeurig en tijdrovend werk dat ten koste gaat van directe patiëntenzorg. Neollie wil dat veranderen met Neo, een geautomatiseerd systeem dat moedermelk bereidt en doseert, zodat verpleegkundigen terug kunnen naar de patiënt. Het bedrijf ontstond tijdens de Minor Robotics van de TU Delft, waar het team in zes maanden een eerste prototype bouwde. Via de TU Delft kreeg Neollie een innovatievoucher van Kansen voor West om de technologie verder te ontwikkelen in fieldlab RoboHouse. Vooral de nabijheid van ervaren engineers helpt, zegt medeoprichter Guus Hak: “Je kunt even meekijken hoe iemand iets oplost. Dat ‘stiekem afkijken’ maakt het verschil.” De voucher betekent volgens Hak meer dan geld: “Het is ook erkenning. Een signaal dat je goed bezig bent.”



